Zingt voor de Heer een nieuw gezang


t.: Willem Barnard (1920-2010) / m.: Frits Mehrtens (1922-1975)

Dit lied werd geschreven met het oog op de zondag Cantate: de vierde zondag van Pasen. De gregoriaanse introitus luidt: Cantate Domino canticum novum. Het is de aanhef van Psalm 98. Misschien heb je het nog niet opgemerkt maar na het tweede Vaticaans concilie (1963-65) spreekt men niet meer van de zondagen na Pasen, maar de zondagen van Pasen. Dit is geen woordspelletje maar aanduiding van de vijftigdagentijd die begint met Pasen en eindigt met Pinksteren met na de vijfde zondag van Pasen het feest van Hemelvaart. Pinksteren en Hemelvaart zijn onderdelen, accenten van Pasen, dat uitgevouwd wordt over een periode van vijftig dagen (tegenover de voorbereidingstijd van veertig dagen). In dit lied gaat het over deze periode, die voorgesteld wordt als een tocht en daarbij de beelden van de Exodus gebruikt: Mozes met het volk door de woestijn. Het gaat ook in dit “nieuwe gezang” over die reisroute waar wij op aangewezen zijn. De Heer gaat ons voor ‘in wolk en vuur’. En wolk zowel als vuur komt ter sprake met Hemelvaart en Pinksterfeest, maar ze komen ook ter sprake in het verhaal van de exodus, het reisverhaal dat in angstland begint en in belofteland uitmondt. Er wordt gezinspeeld op het water uit de rots, op de onderdoorgang van de grote paschanacht, maar meteen ook op onze paasviering en op de doop die zo bij uitstek met het paasgeloof verbonden is.
(Ignace Thevelein)

Achtergronden:

Liedbespreking van Ignace de Sutter
Toelichting op liedboekcompendium.nl

Beluisteren    
Terug naar overzicht